Keessie

Als Kees aankomt op het station van Arnhem ziet hij niets dan verlaten perrons.
‘De laatste trein is net vertrokken,’ zegt de perronwachter.
Kees vloekt niet – Kees vloekt nooit – maar hij moet de neiging onderdrukken om zijn oude leren tas op de rails te smijten. Elfhonderdvierenzestig dagen heeft hij uitgekeken naar dit moment. Nóg een dag wachten, het is er een teveel.

‘Moet er nog iemand richting Utrecht,’ hoort hij roepen.
Kees heeft gelopen, van Strassburg tot Nijmegen. Totdat de onderkant van zijn voeten alleen nog bestond uit blaren. Toen kon hij niet meer verder. De oorlog, die aan de overkant van de rivier woedde, doorkruiste zijn pad. Kees zag zijn mars gestrand en de lente aan zich voorbijgaan. Een lente die zich nauwelijks kon openbaren in de bloesems van de bomen. Die waren geveld, door oorlogshandelingen en handen die de warmte van het hout zochten.

Drie maanden zat hij vast in Nijmegen. Hij werd ondergebracht in een school waarvan het kapotgeschoten dak lekte als een zeef. Elke dag stroomden er nieuwe Jannen binnen. Oude en jonge mannen die, net als Kees, door de bezetter waren gerekruteerd om mee te bouwen aan het Derde Rijk. Kees had gehoor gegeven aan die oproep, geen haar op zijn hoofd had verzet geboden. Ook had hij de verlokkingen kunnen weerstaan om in de wapenfabrieken van Strassburg het Derde Rijk te saboteren. Aan die voorzichtigheid dankte hij zijn leven, dat wist hij zeker. De granaten die hij als machinebankwerker aan de lopende band produceerde, vielen nu op de hoofden van zijn bevrijders. In zijn achterhoofd verwoei dat idee bij elke dreun in de verte. Dat beeld verdrong hij. Ook hij had bommen om zich heen horen vallen en hij dacht op zo’n moment aldoor aan zijn geliefde. Dat sleepte hem erdoorheen, voor de soldaten zou dat niet anders zijn.

In Nijmegen werd het een smerige janboel. Maar ook een vrolijke, ondanks alle beroerde leefomstandigheden was de stemming er opperbest. Met wie Kees ook sprak, iedereen vertelde over het beest wat hen had losgelaten. Diens stinkende muil had jaren boven hun hoofden gehangen. Het beest was plots met de stok geslagen. Als een jankende hond trok het zich terug, achter de rivieren waar het nog even van zich afbeet. Al die jaren hadden de mannen aan huis en haard gedacht. Aan hun vrouwen, hun geliefden en hun kinderen. Sommigen van hen wisten hoe het er thuis voor stond, ze kregen antwoord op hun brieven. Kees niet.
Kees wist van niets.
Toen hij zich meldde voor de Arbeidseinsatz vertelde Henka dat zij zich zou aansluiten bij het verzet. Kees kreeg in Strassburg nooit antwoord op zijn brieven. Hij vermoedde dat het voor verzetsmensen te gevaarlijk was om ook maar iets toe te vertrouwen aan het papier. Dat hij nooit wat hoorde en dat hij gedwongen werd te pauzeren in Nijmegen ging hem op de zenuwen werken. Hij wilde verder, Henka zien, ’s nachts de Waal oversteken, maar dat kon niet. Hij zou zich vastlopen in de muil van de jakhals en toen – ineens – stond het sein op groen. Er was jolijt gemengd met paniek, iedereen wilde meteen weg. Pas laat in de middag kon Kees op transport naar Arnhem.

Daar, op het lege perron, treft hij zijn ziel.
Maar die stem vanuit de verte geeft hem nieuwe hoop, hij snelt langs het spoor op weg naar het rangeerterrein. Die stem moet voor hem gemaakt zijn: jazeker, hij moet richting Utrecht. Hij moet naar Driebergen. Hij ontmoet een man die op een lorrie staat, een lorrie met een kleine hulpmotor. Kees lacht, hij denk dat het een grap is maar de man reikt hem de hand en trekt hem aan boord. De motor komt tuffend op gang en daar gaat hij: op weg naar Henka. Kees staat midden op de kar, de wind suist om zijn oren, de vliegen waaien in zijn ogen. Het deert hem niet.
De tocht gaat over de Veluwe, door een overvloed aan dennenbossen. Als de bossen plaats maken voor de weilanden weet Kees dat hij bijna thuis is.

Hij loopt de laatste vijf kilometer op zijn versleten schoenen. Dat geeft niks. Lopen op pijnlijke voeten is nog nooit zo fijn geweest. Bij elke stap komen er herinneringen boven. Zoet, zuur en bitter, alle smaken zijn voorhanden. Als hij zijn straatje inloopt, versnelt hij zijn pas. Hij zal Henka met zichzelf verrassen, ze zal ongelofelijk blij zijn. Hij ziet een paar bekenden die hem wat verbaasd aankijken. Kees ziet aan hun ogen dat ze wat willen zeggen maar hij loopt snel door. Zou ze er zijn?
Hij loopt achterom, door het steegje waar hij duizenden voetstappen heeft achtergelaten. Zijn verse voetstappen plant hij als markeerpunten in de sneeuw. Alles wat oud en vertrouwd is, lijkt nu als nieuw.
Het keukenraam staat op een kier en hij ziet Henka. Ze roert wat door een prutje in een stoofpan. Kees zegt niets. Hij beweegt niet. Hij verroert geen vin. Hij blijft kijken hoe Henka in de keuken bezig is. Nu een sigaar opsteken en vervolgens een uurtje naar Henka blijven kijken, dat is al wat hij zich wenst.

Als Henka hem ziet slaat ze een hand voor de mond.
‘Kees?’
Kees opent de achterdeur en gaat naar binnen, er staat een peuter naast Henka.
‘Wie ben jij?’ vraagt Kees vriendelijk. Henka legt de roerspaan op het aanrecht, Kees ziet haar trillende hand.
‘Ga even zitten Keessie,’ zegt ze. De peuter en Kees gaan tegelijkertijd zitten

Reacties zijn gesloten.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑