De donkere kant van de maan

In het zonnigste jaar van de eeuw is Simon geboren, een rampjaar. Fidel Castro nam de macht over in Cuba, satelliet Loena schoot foto’s van de donkere kant van de maan en heel Nederland bekeek de eerste uitzending van Studio Sport.
Sportief is Simon allerminst, maar sportende mensen bekijken doet hij graag.

Hij klapt de eikenhouten deurtjes van het tv-meubel open – nooit zonder zijn Helga in de ogen te kijken – en terwijl de beeldbuis opwarmt zakt Simon in zijn lederen fauteuil. De woonkamer, de schrootjes, de steenstrips, de kandelaars, de grote schouw met jachtgeweer: Helga had er nog van alles aan willen veranderen. De wanden strippen en het hele huis voorzien van glad en fris stucwerk, voordat het te laat was. Simon kon haar met moeite tegenhouden. Hij kijkt hoe Rintje Ritsma zijn rondjes draait, Helga kijkt vanaf de schoorsteenmantel naar hem.

Simon is ook op een verkeerde dag geboren. Die dag, vertelde zijn vader, was er een schimmige waas voor de zon getrokken. Woestijnstof hoog in de atmosfeer deed de temperatuur enkele graden kelderen en de dag schemerde van het ochtendkrieken tot de avondzang van de merels.
Die schemering is in mijn lijf getrokken, denkt Simon, zijn knokkels doen pijn, zijn rug is versleten en de jeuk op zijn armen en benen wordt alsmaar erger. De waas in zijn hoofd ook, hij vraagt zich af of het gesprek eergisteren wel echt is gebeurd.
Het gesprek met de HR-manager van Daans’ Soesjes BV.

Dat hij werkloos zou worden en zich bij het UWV-werkbedrijf moest melden: zijn vader zou het een gruwel zijn geweest. Een werkman bedelt niet voor centen. Roder dan rood, die vader, die Cuba bejubelde als heilstaat en Nederland zou spoedig volgen, daar was hij vast van overtuigd.
Simon hoorde het aan en liet het langs zich heen gaan. Als je je niet druk maakt gaat het leven vanzelf. Het bewijs daarvan kreeg hij in de jaren die volgden. Simon vond een baan bij een staatsbedrijf, een fabriek gespecialiseerd in het vervaardigen van kritische machineonderdelen. Als ambtenaar werd Simon overspoeld met zekerheden. Hij deed opleidingen, was de eerste die zich bekwaamde in computergestuurde draaibanken en werkte zich op tot voorman.

Op het bankje buiten, zijn lunchplek op een zomerdag, zag hij zijn maatjes met vijfenvijftig, achtenvijftig, en later met tweeënzestig jaar afzwaaien. Toen Simon bijna aan de beurt was kreeg hij een brief, het bedrijf werd geprivatiseerd. Met goedkeuring van de Koningin werd zijn contract ontbonden, hij moest verschijnen bij het UWV.
‘Ontduiking van uw plicht betekent korting op uw uitkering en indien u denkt zwart te kunnen werken weten wij u wel te vinden,’ zei het meisje achter de balie. Haar lach bleef onveranderd, alsof ze hem zojuist had gefeliciteerd met de geboorte van een kleinkind.
Hij solliciteerde op functies waar hij geschikt voor was, maar anderen vonden dat niet. Het UWV maakte een nieuwe afspraak voor hem, met de HR-manager van Daans’ Soesjes BV.

‘Daans’ Soesjes BV is een wereldspeler op de soesjes- en flensjesmarkt,’ zei de HR-manager. ‘Weet je hoe soesjes en flensjes gemaakt worden?’
Simon knikte kort. Als machinebankwerker had hij menigmaal flenzen gemaakt voor ventilatiekokers, gasafsluiters, en – zijn meesterproef – de turbine van de kernreactor in Petten.
De HR-manager, een jongen van een jaar of vijfentwintig, had zijn kleinzoon kunnen zijn. Zijn lach was precies dezelfde als die van het meisje van het arbeidsbureau, er lag iets onoverwinnelijks in. Simon voelde zich bekeken als een stervend dier, had hij vroeger ook zo gelachen naar oudere mensen? Hij kon het zich niet herinneren.
‘Ga eerst maar eens in de fabriek kijken,’ zei de manager.

In Daans’ Soesjes BV kreeg Simon van Daan een rondleiding, langs de bakmachines, lopende banden en door de inpakafdeling. Het viel hem op hoe klein de productieafdeling was. Nog geen vijf man bevolkten de werkvloer, hij had ook nog nooit een Daans’ soesje in de mond gehad.
Simon werd voorgedaan wat zijn nieuwe taak zou worden: het controleren van de zuigmondjes die de soesjes in de doosjes moesten deponeren. En visuele controle, ontbrak er een soesje dan moest er op een rode knop worden gedrukt. De band viel stil, je pakte een soesje, deed hem in de doos, maakte het zuigmondje schoon, drukte op de groene knop en voort ging de lopende band.
‘Kunt u dat ook?’ vroeg Daan.
Simon knikte kort.

Terug op het kantoor zei de HR-manager lachend: ‘Je hebt geluk, Daan is mijn oom. Niet iedereen wordt hier zomaar rondgeleid door de directeur. We zullen nu ons gesprek afronden. Vond je het leuk op de werkvloer?’
De manager nam een formulier voor zich, pakte een pen, las iets op het papier en keek Simon doordringend aan.

‘Waarom is dit jouw droombaan?’
Simon verslikte zich bijna in de koffie, zijn lach slikte hij op tijd in, de manager bleef hem als een havik aankijken.
‘Ik ben altijd…’ zei Simon, maar hij wist het niet meer. Hij ontweek de ogen, het pafferige gezicht. Een snotaap die hem vanaf de eerste seconde met ‘je’ had aangesproken. Hij wilde weg, naar buiten. Hij keek door het raam en zag een propaangastank. Daarbovenop een gasafsluiter die met een flens aan de tank was verbonden.
‘Ik heb altijd iets gehad met flensjes…’
De havikenblik verdween van het gezicht, een klein lachje deed Simon denken dat hij een voldoende had gescoord.

De manager las de volgende vraag voor: ‘Waarom zou ik jou voor deze functie moeten aannemen?’
Simon dacht aan zaken als huur, eten, autokosten en ja, misschien toch ook een keer op vakantie met een ouderengroep. Maar was dat wat de manager wilde horen? Een verwend kind dat de waarde van een cent niet kent?
Simons rode bloed begon te stromen, zijn ergernis werd groter maar die mocht hij niet tonen. Hij beheerste zich.
‘Ik kan me goed beheersen,’ zei hij.

Dit keer kwam er geen lach, een vijf-min dacht Simon, de manager maakte een aantekening.
Hij keek Simon aan en zei: ‘Waarom ben jij de beste in dit vak?’
Simon wist dat hij zijn mond niet open mocht laten vallen, daarom hield hij de kaken stijf op elkaar. Het leek hem een mooi vooruitzicht: kaken op elkaar en weglopen maar dat kon niet. Hij zou worden gekort op zijn uitkering. Hij dacht aan het compliment wat zijn vroegere chef hem had gegeven: “Simon, jouw scheten ruiken naar damesparfum”.
‘Mijn scheten ruiken naar damesparfum,’ zei Simon, zo stoïcijns dat de manager wel in lachen moest uitbarsten. Pas toen, lachte Simon met hem mee.
Een dikke acht-plus

‘Kun je wat positieve punten noemen over jezelf?’
Dat ik jouw nu niet aan je stropdas aan een hanenbalk hang, dacht Simon, en dan speel ik het zo dat het op zelfmoord lijkt.
Simon graaide in zijn hoofd alsof het een grabbelton was geworden. Hij dacht aan zelfmoord, Helga, de dood, Helga was twee jaar dood. Euthanasie maar goedbeschouwd is dat zelfmoord. Simon had Helga gesteund tot het laatst, en hij wist dat wanneer zij er niet meer was hij snel zou volgen.
Dat was niet gebeurd. Hij overkwam het leed. Hij kon de vogels weer horen fluiten, hij overkwam de problemen.
‘Ik overkom de problemen,’ zei Simon.
De manager knikte kort, maakte een aantekening

‘Als er positieve punten zijn dan zijn er ook negatieve, kun je die benoemen?’
Dat ik zin heb om jou van je stoel te trappen, de kleren van je lijf te rukken en je met de punt van je schaar door alle gangen van dit bedrijf te jagen. Dat ik zin heb om jouw vadsige kop vol te proppen met soesjes en flensjes totdat ze onverteerd uit je anus komen. Dat ik zin heb om jou een lesje nederigheid te leren.
‘Soms ben ik te nederig,’ zei Simon.

De lach op het gezicht van de manager bleef. ‘Mooi dan, je bent aangenomen, maandag mag je beginnen in dit fantastische bedrijf. Ben je blij?
Simon knikte, zette een handtekening.
‘Als je niet komt weten we je te vinden,’ zei de manager terwijl hij de transactie bevestigde met een slappe handdruk.
De zon scheen volop en tijdens de wandeling naar zijn auto dacht Simon dat zijn vrijheid tekort had geduurd. Bijna een jaar van sollicitatiegesprekken was voorbij gevlogen. Hij zou nog een paar jaar gesprekken willen voeren als zijn uitkering bleef bestaan.

In de autorit naar huis dacht hij aan zijn eerste werkdag bij Daans’ Soesjes BV en nu is dat niet anders, morgen is het zover.
Sven Kramer heeft gewonnen, spuit champagne over zijn vrienden. Wat een ander leven, denkt Simon. Als ik een ander leven zou kunnen hebben, waar ging ik dan naartoe?
De TV werpt zijn flikkerende licht door de woonkamer. Helga had allang vier schemerlampen ontstoken maar Simon geniet van de nacht. Niemand die hem ziet, in dit donkereiken interieur. Waar naartoe, waar zullen ze hem nooit vinden?

 

Mijn inzending voor de Editio schrijfwedstrijd 2017 
Image: Pixabay CC0 Public Domain

Reacties zijn gesloten.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑